facebook

Veiligheid van cosmetische mondzorg

Cosmetische mondzorg moet in termen van de Wkkgz ‘goede zorg’ zijn, dat wil zeggen dat de zorg niet alleen doeltreffend, doelmatig, cliëntgericht, tijdig en afgestemd op de reële behoefte van de cliënt moet zijn, maar ook veilig.

Wat betreft dat laatste vloeien uit wettelijke kaders verschillende eisen voort over de zorg voorafgaand, tijdens en na de behandeling. Dit betreft onder meer het bijhouden van een patiëntendossier over de gezondheidssituatie van een cliënt. Voorts zijn er ook veiligheidseisen met betrekking tot veiligheid van medische technologie, medicatie en infectiepreventie.

Assistente in sterilisatieruimte

Streven naar optimale veiligheid

Daarnaast moeten zorgverleners vermijdbare schade bij cliënten zoveel mogelijk proberen te voorkomen en leren van veiligheidsincidenten. Het streven naar optimale veiligheid moet een hoge prioriteit hebben en het is daarom van belang hierover afspraken te maken. Denk aan het volgen van een procedure in geval van incidenten, complicaties en calamiteiten bij de verlening van zorg en aan afspraken met andere zorgdisciplines voor als dergelijke gevallen tot medische noodsituaties leiden.

De eisen die hierna aan bod komen betreffen achtereenvolgens eisen rond de intake en het consult, de behandeling en de nazorg, het patiëntendossier, de informatie-uitwisseling tussen zorgverleners, en het zich houden aan wet- en regelgeving en kwaliteitsnormen en het handelen in geval een incident, complicatie of calamiteit.

1. Veiligheid rond intake en consult

De zorgaanbieder hanteert een beleid voor intake en acceptatie voor behandeling, waaraan een zorgverlener zich houdt. Dit geldt ook voor de manier waarop een consult plaatsvindt:

1. De procedure voor intake omvat inclusie- en exclusiecriteria voor acceptatie.

  • De zorgverlener behandelt alleen cliënten van 18 jaar of ouder met een cosmetische zorgvraag. In bijzondere omstandigheden kan de zorgverlener hiervan afwijken. Deze beslissing en de reden moeten duidelijk in het patiëntendossier worden vastgelegd.
  • De zorgverlener heeft inzicht in de zorgzwaarte en gezondheidstoestand van de cliënt.
  • De zorgverlener behandelt cliënten met een ASA klasse 1, 2 of 3. In geval van cliënten met een ASA klasse 3 wordt vooraf nagegaan of de cosmetische behandeling eventuele gezondheidsrisico’s met zich meebrengt. Daarnaast wordt rekening gehouden met leeftijdsafhankelijke gezondheidsaspecten.
  • De zorgverlener kan de kans op complicaties inschatten en beoordelen of de praktijk is toegerust voor het behandelen van eventuele complicaties.
  • Er moeten goede afspraken zijn gemaakt over het overdragen van zorg ingeval van complicaties.
  • Bij vermoeden van een psychische aandoening (morfodysfore stoornis) of psychisch lijden dient men uiterst terughoudend te zijn met cosmetisch behandelen.

2. Een (besluitvormend) consult vindt plaats met en door de behandelend zorgverlener.

Eventuele andere personen die bij een consult betrokken zijn, maken naam, expertise en kwalificaties bekend en geven aan wat hun rol is. Verder zijn bij een (besluitvormend) consult de volgende zaken van belang.

  • De cliënt moet duidelijk weten wie het aanspreekpunt is, wie de tandheelkundige vakinhoudelijke verantwoordelijkheid heeft en wie is belast met de organisatie en coördinatie van de zorgverlening. Dit is zo veel mogelijk dezelfde zorgverlener.
  • De behandelend zorgverlener blijft verantwoordelijk voor het zorgvuldig beoordelen van cliënten en het diepgaand doorlopen van het toestemmingsproces. Andere betrokkenen kunnen een aanvullende rol hebben, maar mogen nooit de behandelend zorgverlener vervangen.
  • Het consult omvat inventarisatie van medicijngebruik, onderzoek van de algehele gezondheidstoestand en specifieke esthetische problemen, evaluatie van de verwachtingen van de cliënt, beoordeling van conditie van de cliënt volgens ASA (in ieder geval bij invasieve ingreep),eventueel verzoek tot toestemming voor overleg met tandheelkundige en/of medische collega’s en indien noodzakelijk relevant ander onderzoek.
  • Als een cliënt medicijnen gebruikt, wordt cliënt geïnformeerd of hij/zij deze kan of moet blijven gebruiken, met daarbij duidelijke uitleg over de reden. Dit gebeurt zo nodig in overleg met de voorschrijvende arts.
  • Bij twijfel over de wenselijkheid van de verzochte behandeling consulteert de behandelend zorgverlener een aan het specifieke vak gerelateerde zorgverlener. 
  • De zorgverlener wijst de cliënt op de mogelijkheid van een tweede consult (‘second opinion’) over de cosmetische behandeling.

2. Veiligheid rond behandeling en nazorg

De zorgaanbieder draagt zorg voor goed opgeleid personeel, biedt de voor hem werkzame zorgverleners de vereiste middelen en voorzieningen. De zorgverlener houdt zich aan de richtlijnen met betrekking tot infectiepreventie.

  1. De zorgverlener hanteert een beleid voor medicatie en pijnbestrijding, zoals het pijnmedicatieadvies van de NHG en houdt zich hieraan.
  2. Elke cliënt krijgt zo nodig nazorg. Hiertoe draagt de zorgverlener zelf zorg voor continuïteit in de behandeling van een cliënt. Daarbij is het volgende van belang.
  • De zorgaanbieder heeft waarneming structureel geregeld, in overeenstemming met de praktijkrichtlijn Opvang tandheelkundige spoedgevallen buiten praktijkuren (2012), waardoor 24 uur per dag, 7 dagen per week nazorg bereikbaar is voor de cliënt.
  • Elke cliënt krijgt schriftelijke aanwijzingen (of verwijzing naar informatie op een praktijkwebsite) over hoe hij/zij ná behandeling ingeval van problemen contact kan opnemen met de zorgverlener of diens vervanger.

3. Patiëntendossier en informatievoorziening

De zorgaanbieder maakt mogelijk dat van elke cliënt een goed en compleet patiëntendossier beschikbaar is, conform de WGBO. Dit houdt in dat de informatie in het patiëntendossier het mogelijk maakt om de beginsituatie en het behandelresultaat met elkaar te vergelijken. Belangrijke elementen in het
patiëntendossier zijn onder meer: behandelend zorgverlener, medische anamnese, ondertekende toestemmingsverklaring, het gebruikte product/materiaal en complicatieregistratie.

1. Patiëntendossier

In het patiëntendossier is, in overeenstemming met de KNMT-richtlijn Patiëntendossier, op leesbare en systematische wijze ten minste het volgende vastgelegd.

  • De inhoud van het medisch handelen, te weten: historie, anamnese, onderzoek, diagnose, behandelplan, correspondentie, behandeling en verrichtingen, toegediende en voorgeschreven geneesmiddelen, begeleiding, resultaten van behandeling.
  • Gegevens die een rol spelen om de continuïteit van zorg te onderhouden, bijvoorbeeld overdracht bij waarneming.
  • Gegevens die voor een cliënt relevant blijven bij een volgende behandeling of onderzoek, zoals persoonsgebonden gegevens.
  • Informatie over wie welke informatie op welk moment aan de cliënt heeft verstrekt.
  • Eventuele licht- en/of röntgenopnamen van de cliënt van voor en na behandeling.
  • Codering van medische hulpmiddelen/materialen met specificaties, zoals naam fabrikant, type, batchnummer, lotnummer e.d.
  • Indien van toepassing, schriftelijke wilsverklaring van de cliënt en resultaten van de intake.

    Het patiëntdossier wordt, in overeenstemming met de WGBO, bewaard voor een termijn van 20 jaar, te rekenen vanaf het tijdstip waarop de laatste wijziging in het dossier heeft plaatsgevonden.

2. Overdragen, uitwisselen, opvragen en vastleggen gegevens

Als meer zorgverleners een cliënt behandelen, hebben zij een verantwoordelijkheidsverdeling afgesproken over het overdragen, uitwisselen, opvragen en vastleggen van gegevens van de cliënt. Dit gebeurt onder meer om de informatievoorziening aan de cliënt en tussen de zorgverleners onderling te borgen. Als dat op medische gronden wenselijk of noodzakelijk is, overlegt de zorgverlener met toestemming van de cliënt met de huisarts, een medisch specialist of andere (eerstelijns) zorgverlener.

3. Professionele standaard

De zorgverlener houdt zich bij zorgverlening aan de voor hem/haar geldende professionele standaard. Hieronder valt onder meer:

Als de richtlijnen, protocollen, zorgstandaarden, ‘best practices’, leidraden of standpunten elkaar tegenspreken, maakt de zorgverlener in samenspraak met en in het belang van de cliënt een keuze en legt die gemotiveerd vast in het patiëntendossier.

De behandelend zorgverlener is primair verantwoordelijk en aansprakelijk voor de geleverde zorg, dus ook voor zorg die wordt geleverd door anderen die onder zijn verantwoordelijkheid handelen.

4. Veilig handelen in geval een incident, complicatie of calamiteit

Iedere cosmetische behandeling of ingreep kent een risico op incidenten, complicaties of calamiteiten. Het omgaan met dit risico vraagt om een professionele houding, waarbij openheid, toetsbaarheid en leren voorop staan. Daarbij is het melden en analyseren van incidenten, complicaties en calamiteiten buitengewoon zinvol. Meldingen leveren namelijk informatie op, die in belangrijke mate kan bijdragen aan het verbeteren van de kwaliteit en veiligheid van de zorg. De volgende zaken zijn daarom van belang.

  1. De zorgaanbieder moet voorzien in een procedure voor het identificeren, beheersen, vaststellen, registreren en melden van (bijna-)incidenten, complicaties en calamiteiten. Een dergelijke procedure moet een stappenplan bevatten, wat aan zorgverleners duidelijk maakt wat van hen wordt verwacht. Voorts dient de zorgaanbieder te zorgen voor een procedure voor het realiseren van blijvende verbeteringen in de zorgverlening na incidenten, complicaties en calamiteiten.
  2. De zorgverlener voorkomt, dan wel handelt zodanig in medische noodsituaties die zich al dan niet als gevolg van tandheelkundig handelen in de praktijk voordoen, dat de cliënt in een stabiele toestand komt en kan blijven totdat adequate hulp beschikbaar is.
  3. Calamiteiten moet een zorgaanbieder onverwijld bij de IGJ melden, binnen 3 werkdagen nadat duidelijk is dat zich een calamiteit heeft voorgedaan. Bij twijfel heeft de zorgaanbieder 6 weken de tijd om na te gaan of er sprake is van een calamiteit.
  4. Binnen de praktijk heerst een goede veiligheidscultuur, waarin zorgverleners bewust zijn van het risicovolle karakter van hun handelen en bereid zijn om incidenten of bijna-incidenten te melden, te bespreken en ervan te leren.
  5. Een zorgverlener neemt uit zichzelf het initiatief om incidenten, complicaties en calamiteiten open en eerlijk met de cliënt te bespreken. Hij/zij informeert de cliënt ook over de merkbare gevolgen die incidenten hebben of kunnen hebben en legt deze vast in het patiëntendossier.

Tip!
Implementeer in 5 stappen een Veilig Incidenten Melden systeem (VIM) in de praktijk.