Kamer wil dat Zorginstituut positie mondhygiënist in Wet BIG gaat onderzoeken

Hans Scholten
2 minuten
Image
tandarts-assistent
Het Zorginstituut Nederland zou zich moeten buigen over de vraag of mondhygiënisten onder het zware regime van de Wet BIG moeten gaan vallen. Dat is de wens van de Tweede Kamer, zo bleek in het debat over het al dan niet definitief toekennen van 3 nieuwe zelfstandige bevoegdheden aan deze beroepsgroep na afloop van het ‘Experiment geregistreerd mondhygiënist’.

De Kamer roept de regering motie van de Tweede Kamerleden Rikkers-Oosterkamp (BBB) en Tielen (VVD) op het ZIN om toetsing te vragen. Minister Agema van VWS gaf aan het oordeel van de Tweede Kamer te zullen volgen. Ze zal echter voor ze het ZIN hierover benadert eerst advies van de Gezondheidsraad over de toekomstbestendigheid van de Wet BIG afwachten. 

Minister wil experiment niet vervolgen

De genoemde motie komt voort uit een brief waarin de minister aangaf voornemens te zijn om het experiment geen vervolg te geven. Dat zou betekenen dat de zelfstandige bevoegdheden niet definitief toegekend worden. Opname in het zware regime van de Wet BIG is dan niet nodig en het huidige lichte regime waaronder mondhygiënisten vallen zou dan blijven volstaan.

Experiment loopt nog tot 1 juli 2025

Het ‘Experiment geregistreerd-mondhygiënist’ begon op 1 juli 2020 en loopt tot 1 juli 2025. Een deel van de mondhygiënisten mag gedurende het experiment zonder tussenkomst van een tandarts kleine gaatjes boren, verdoving toedienen en röntgenfoto’s maken. Doel ervan was om te bezien of het toekennen van zelfstandige bevoegdheid voor deze 3 handelingen tot doelmatigere zorg leidt. Dat wil zeggen: of het tijd en geld bespaart. Het experiment is recent geëvalueerd en daaruit blijkt dat niet aangetoond kan worden dat het experiment tot doelmatige(re) zorg leidt.

KNMT beraadt zich op vervolgstappen

Voorafgaand aan en ook nog tijdens het debat heeft ons bestuur in verschillende contacten met Tweede Kamerleden en ambtenaren onze zienswijze naar voren gebracht. 

Motie Rikkers-Oosterkamp en Tielen