Biocompatibiliteit van mineraal trioxide-aggregaat en hydraulisch calciumsilicaat cement op menselijke dentale pulpa stamcellen: een systematische review van in vitro onderzoeken

De bachelorscriptie 'Biocompatibiliteit van mineraal trioxide-aggregaat en hydraulisch calciumsilicaat cement op menselijke dentale pulpa stamcellen: een systematische review van in vitro onderzoeken' van Marije Brouwer en Anna van de Griendt (Rijksuniversiteit Groningen) is een van de genomineerden voor de KNMT Bachelorscriptie Award 2026. Op deze pagina kun je de samenvatting van hun scriptie lezen. Ook vertellen de Groningse studenten over hun onderzoek en het belang ervan.

Stem op deze scriptie

Introductie

Door cariës of gebitstrauma kan het vitale weefsel in een tand, de pulpa, beschadigd raken. Traditioneel wordt dan vaak een wortelkanaalbehandeling uitgevoerd, waarbij de pulpa volledig wordt verwijderd. Hoewel deze behandeling effectief is, verliest de tand hierdoor zijn natuurlijke afweer- en herstelfuncties.

Een steeds vaker toegepaste behandeling is de vitale pulpabehandeling. Hierbij blijft het gezonde deel van de pulpa behouden, zodat de tand zichzelf kan blijven herstellen. Voor deze behandeling is een biocompatibel vulmateriaal nodig. Biocompatibiliteit betekent dat een materiaal veilig is voor contact met levend weefsel: het materiaal mag geen schadelijke of giftige reactie veroorzaken en moet juist het herstel van cellen ondersteunen.

Er zijn verschillende biocompatibele vulmaterialen op de markt, waaronder mineraal trioxide-aggregaat (MTA) en hydraulische calciumsilicaatcementen (HCSC’s). Het is echter nog onduidelijk welk materiaal de beste biocompatibele eigenschappen bezit. Daarom hebben wij onderzocht welk materiaal het herstelvermogen van menselijke pulpa-stamcellen het beste ondersteunt. Met deze kennis kunnen tandartsen een beter onderbouwde materiaalkeuze maken, wat het gebruik van biocompatibele materialen in de klinische praktijk bevordert.

Onderzoeksmethode

Deze systematische review werd uitgevoerd volgens de internationale PRISMA-richtlijnen. In de wetenschappelijke databases PubMed en Web of Science werd gezocht naar laboratoriumonderzoeken waarin de verschillende soorten MTA en HCSC werden getest op menselijke dentale pulpa-stamcellen. Deze stamcellen spelen een belangrijke rol bij het herstel van beschadigd tandweefsel.

Van de 272 gevonden onderzoeken voldeden uiteindelijk 18 onderzoeken aan de vooraf vastgestelde in- en exclusiecriteria. In deze onderzoeken werd de biocompatibiliteit van de verschillende vulmaterialen beoordeeld aan de hand van de overleving, groei, migratie en hechting van de pulpa-stamcellen.

Resultaten

Uit het onderzoek blijkt dat de verschillende soorten MTA en HCSC over het algemeen een goede biocompatibiliteit hebben. Dat betekent dat deze materialen de stamcellen niet of nauwelijks beschadigen en het natuurlijke herstelproces van de tand kunnen ondersteunen.

Biodentine, Calcium-Enriched Mixture en ProRoot MTA vertoonden de beste biocompatibiliteit. Deze materialen stimuleerden de groei en overleving van stamcellen en ondersteunden processen die belangrijk zijn voor het herstel van beschadigd tandweefsel. 

De materialen TheraCal LC en Dycal scoorden op meerdere onderdelen minder goed.

Daarnaast bleek dat de biocompatibiliteit afhankelijk is van het type materiaal, de gebruikte concentratie en de duur van blootstelling.

Conclusie en discussie

Deze systematische review laat zien dat niet alle vulmaterialen dezelfde biocompatibele eigenschappen hebben. Biodentine, CEM en ProRoot MTA vertonen de gunstigste biocompatibiliteit en lijken daarom het meest geschikt voor vitale pulpabehandelingen.

De resultaten zijn direct toepasbaar in de tandartspraktijk. Ze helpen tandartsen bij het kiezen van materialen die het natuurlijke herstelvermogen van de tand ondersteunen. Hierdoor kan vaker gekozen worden voor behoud van een vitale pulpabehandeling. Dit sluit aan bij de ontwikkeling van een meer minimaal invasieve en preventieve tandheelkunde, waarbij gezond tandweefsel zoveel mogelijk behouden blijft.

Tegelijkertijd verschilden de onderzochte laboratoriumonderzoeken in onderzoeksopzet, waardoor de resultaten minder goed met elkaar konden worden vergeleken. Gestandaardiseerde onderzoeksprotocollen en aanvullend klinisch onderzoek zijn daarom nodig om de bevindingen te bevestigen en de vertaalslag naar de dagelijkse klinische praktijk te versterken.

Bekijk de 5 genomineerde scripties