Mondzorg in 2030: hoe werkt straks de student van nu?

20 augustus 2018

De samenleving verandert in hoog tempo. Zo ook de setting waarin de tandarts zijn werk doet. Voor de huidige generatie studenten ziet het tandheelkundig landschap er in 2030 heel anders uit dan nu. Althans, in de visie die zes deskundigen dit jaar in de voorgaande NT’s verwoordden. Een overzicht in zeven aandachtspunten.

1. Leer omgaan met veranderen

ACTA-decaan Albert Feilzer geeft het zijn studenten nu al mee: leer omgaan met veranderen. Want het beroepsveld van de tandarts zal de komende decennia drastisch wijzigen. Dat begint al met de techniek: die wordt belangrijker en maakt, volgens Feilzer, het werk qua manueel-technisch handelen straks relatief simpeler. “Een voorbeeld: het moeilijke van het huidige scannen is de rand van de tand in beeld te krijgen. Het tandvlees zit immers in de weg. In 2030 kunnen we daar doorheen kijken. Zo is in 2030 heel veel technisch handelen wat nu eigenlijk alleen door gedifferentieerde tandartsen kan worden gedaan, terug bij de algemene praktijk.” Tegelijk neemt ook de medische oriëntatie van de tandarts toe. “Nu al”, zegt Feilzer, “is bij ACTA de gnathologie als occlusieleer bijna geheel vervangen door de orale kinesiologie. Die pakt deze gebitsproblematiek vanuit de bewegingsleer en neurologie op. Neurologie speelt over twaalf jaar ook een veel grotere rol dan nu. En bij ouderen is de interactie met medicijnen giga.”

2. Samenwerken is het credo…

Het gevolg van dat laatste zal zijn dat mondzorg veel meer netwerkzorg wordt. Dat verwacht Pauline Meurs, voorzitter van de Raad voor Volksgezondheid en Samenleving (RVS): “De tandarts zal in 2030 vaker onderdeel zijn van een netwerk waarvan bijvoorbeeld ook de huisarts, apotheker en logopedist deel uitmaken.” Feilzer gaat in die gedachte mee: “Kijk naar de huisarts; die overlegt geregeld met wijkteams met daarin onder meer verloskundigen, fysiotherapeuten en een psycholoog, om te horen wat er in de wijk speelt. Ook de tandarts moet in die zin veranderen, want de maatschappij verwacht het van hem.”

3. …dankzij de inzet van e-health

De tandarts zal daarbij worden geholpen door e-health, is de verwachting van Nick Guldemond, universitair hoofddocent Integrated Care & Technology in Rotterdam. “Wil een tandarts aan de groep kwetsbare ouderen optimale zorg kunnen verlenen, dan moet hij efficiënt kunnen communiceren met andere medici, paramedici en verzorgenden, en inzage hebben in de medicatie van een patiënt en diens medische historie. Met e-health kan een heel netwerk rondom de patiënt worden gecreëerd. Traditionele hokjes – tandarts, huisarts, fysiotherapeut, gerontoloog, verpleeghuisarts … – worden een zorgnetwerk waarin zorgverleners elkaar versterken.” Guldemond kan zich zo ook voorstellen dat tandartsen, in hun rol als regisseur in de mondzorg, rond 2030 digitale diensten aanbieden aan informele verzorgers van kwetsbare ouderen, zoals hun kinderen en mantelzorgers. Die diensten, zoals poetsinstructies, helpen hen in het proces van begeleiding, gezondheid en voeding. Dit in samenhang met problemen in de mond die relaties hebben met ziektes als diabetes en hart- en vaatziekten.

4. De mondzorg concentreert zich in groepsverband

Deze ontwikkelingen leiden er mede toe dat de solistisch werkende tandarts in 2030 terrein heeft verloren. Zorgondernemer Loek Winter zegt dat dit deels ook het gevolg is van de feminisering van het beroep, die de komende decennia sterk doorzet – zie ook de verhouding man-vrouw op de opleidingen. “De meeste vrouwen willen geen eigen winkel, maar een ma-tot-do-baan. En die vind je in de groepspraktijk”, aldus Winter. Ook in de ogen van Meurs heeft de groepspraktijk de toekomst Ze voegt daaraan toe dat daar niet alleen tandartsen werken maar meerdere disciplines: mondhygiënist, tandtechnicus, preventie-assistent, gedifferentieerde collega’s, specialisten. “Ik hoop, en verwacht, dat in 2030 de tandheelkundige zorg grotendeels in zulke verbanden opereert. Gezamenlijk zorgdragen voor patiënten is immers juist de kracht van samenwerken.” Die groepspraktijken zullen ook vaker tot een keten behoren, meent Winter. “Dat is onontkoombaar, want de kwaliteitseisen nemen de komende vijftien jaar toe, net als de druk op de kostprijs. Ketens werken goedkoper dan éénpitters, mede dankzij die standaardisering. Tandartsen zijn professionals, maar de verschillen in werkwijzen zijn groot. Standaardisering vlakt die verschillen af, wat de kwaliteit bevordert. Dan verlies je weliswaar een deel van je autonomie, maar dat komt ten goede aan de taak van de tandarts: het leveren van goede zorg aan zijn patiënten.”

5. Handelen volgens richtlijnen is in 2030 de norm

Wat kwaliteit betreft is Meurs er een groot voorstander van dat tandartsen, om hun beroep te mogen uitoefenen, moeten kunnen laten zien wat ze doen aan intervisie, intercollegiale toetsing, scholing en multidisciplinair overleg. De overheid moet dat veel meer verplichtend maken en een voorwaarde om te kunnen worden geherregistreerd, vindt de RVS-voorzitter. “En vanuit het kwaliteitsdenken is het ook belangrijk dat in de mondzorg op basis van richtlijnen wordt gewerkt. Natuurlijk, ik kan me voorstellen dat een tandarts zijn vrijheid wil behouden om naar eigen inzicht te handelen. Maar een richtlijn heet niet voor niets zo: ze geeft richting aan het professionele handelen, maar is geen bevel. Je professionele handelen is gelegen in de wijze waarop je met die richtlijn omgaat, gegeven de specifieke context van jouw patiënt.”

6. Het huidige financieringssysteem is vervangen door een mixsysteem

Alle hierboven genoemde veranderingen zullen er wat de overheid betreft ook aan moeten bijdragen dat de zorg betaalbaar blijft. Volgens Erik Schut, hoogleraar Economie van de Gezondheidszorg in Rotterdam, is dan het huidige financieringssysteem niet houdbaar. Hij voorziet voor 2030 een mixsysteem. “Vergelijkbaar met wat de huisartsen hebben. Die hebben een inschrijftarief, maar worden ook betaald voor verrichtingen. Zo is er sprake van een redelijke honorering voor de zorgverlener. Bovendien dempt het de prikkels voor onderbehandeling, wat bij een abonnementssysteem zou kunnen voorkomen, en overbehandeling, bij een verrichtingensysteem. Zorgeconomen zien een mix veelal als beste systeem om zorg betaalbaar te houden bij een adequaat honorarium, in combinatie met het stimuleren van preventie.”

7. De mondzorg heeft topprioriteit binnen de Europese Unie

En dan is er nog de invloed van Europa. Volgens Marco Landi, tandarts in Italië en voorzitter van de Council of European Dentists (CED), heeft de Europese Unie een belangrijke rol in het stroomlijnen van grensoverschrijdende zorg. “Ze zou de lidstaten kunnen aanmoedigen een meer samenhangende Europese strategie te ontwikkelen om de mondzorg te verbeteren en zo concrete meetbare doelen te bereiken. Verder moeten we ons realiseren dat mondziekten grote invloed hebben op ons maatschappelijk functioneren. Deze ziekten hebben effect op spraak, lach, smaak en kauwen. Daarnaast hangen mondziekten nauw samen met de algemene gezondheid. Het negeren van de mondzorg kan nadelige economische consequenties hebben. Daarom verdient mondzorg topprioriteit binnen de Europese Unie.”

Tekst: Evert Berkel // Beeld: Rob ter Bekke

Lees meer over:

0 reacties op Mondzorg in 2030: hoe werkt straks de student van nu?